Funerair erfgoed – Oranjelaan

De geschiedenis van begraafplaatsen en grafmonumenten.

Begraafplaats Wilhelminaoord
Begraafplaats Wilhelminaoord Jaartal: 21 juli 2024 Bron: ’t Fledder Kerspel

De begraafplaats voor directie, ambtenaren en kolonisten van de Maatschappij van Weldadigheid is omstreeks 1820 aangelegd.
In 1829 werd Philip Bousquet er begraven, hij betaalde hiervoor tweeduizend gulden aan de Maatschappij van Weldadigheid en eiste dat er fruitbomen bij zijn graf werden geplant. 

Graf Daniella Elisabeth van Oosterhoudt, douairiere De Sturler Jaartal: 28 juni 2024
Graf Daniella Elisabeth van Oosterhoudt, douairiere De Sturler
Jaartal: 28 juni 2024


Het gietijzeren grafmonument van Daniella Elisabeth van Oosterhoudt, douairière De Sturler, moeder van de 2e vrouw van Johannes van den Bosch is ook op de begraafplaats te vinden (ze overleed op 11 mei 1829). Dit grafmonument staat op de Rijksmonumentenlijst.

Er zijn graven te vinden van kolonisten van het eerste uur. Aan de rechterkant zijn ook een groot aantal kindergraven.
Vanwege het cultuur-historische belang worden er géén graven meer geruimd.
Bijzonder is de Apostelboom. Een beukenboom met één dikke stam die duidelijk is ontstaan uit twaalf in elkaar vergroeide beukenboompjes. Dat was vroeger heel gewoon op een begraafplaats.

Graf monumenten

Achternaam VoornaamGeboortedatumOverlijdensdatumPartnerFotoMeer Infograftekstopmerking
Achternaam VoornaamGeboortedatumOverlijdensdatumPartnerFotoMeer Infograftekstopmerking

Testament

In het jaarboekje van de Maatschappij van Weldadigheid voor 1866 staat


Niet verre van de twee kerken te Frederiksoord, omgeven van hooge denneboomen, die als het ware een immer groenen krans weven om het verblijf des doods, ligt de doodenakker van die kolonie. Daar rusten ze van hunnen arbeid, die menschen, die uit alle oorden van ons vaderland gekomen waren, om in den werkkring der M. van Weldadigheid, zich een rustig en kalm bestaan te verzekeren.

Als men dien doodenakker betreedt, en over de groene zoode wandelt, dan is het alsof iedere plek dáár ons de levensgeschiedenis verhaalt van den doode, die er in sluimert;
dan denkt men onwillekeurig aan de levensstormen die over die daar slapen henengingen, voor ze een kalmen levensavond vonden te Frederiksoord, en daarvan eene laatste rustplaats, te midden der akkers, waar hunne broeders nog arbeiden voor hunne gezinnen.

Geen sierlijke gedenkteekenen vermelden er de deugden of het geslacht der sluimerden, eenvoudige witte palen zijn stomme getuigen, die zeggen: mensch, hier rust een broeder, eene zuster…!!

Als de lente weder het immer groene loof der sparren om dat kerkhof vernieuwt, de leewrik het lied des levens zingt boven dat verblijf des doods, dan is ’t alsof in een hoek van dat kerkhof een bloemkrans van schitterende witte bloemen gevlochten is in de groene lovers, en treden wij nader, dan zien wij daar eenige treden van elkaar verwijderd twee bloeijende appelboomen. Appelbommen op een doodenakker! Zoo vraagt men onwillekeurig.

Ik wil u met een woord verhalen waarom die boomen daar staan.

Den 28 Januarij 1829, overleed te Amsterdam de heer Philip Bousquet, in wiens testament onder anderen het volgende voorkomt.
“Ik vermaak aan de Maatschappij van Weldadigheid een som van tweeduizend gulden: ,, onder verpligting, dat zij mijn lijk, in eene harer koloniën, op eene algemene begraafplaats in de vrije lucht doe begraven, en binnen twee ellen van mijn lijk twee goed groeijende vruchtboomen planten, en deze boomen in eenen goeden staat onderhouden, en zorgen, dat telkens binnen één jaar na het sterven van eenen dezer vruchtboomen, een nieuwe goed groeiende vruchtboom in deszelfs plaats geplant worde, en de vruchten deze boomen jaarlijks in het openbaar aan de meestbiedende verkoope, om te bewijzen, dat ook de begraafplaats der lijken gezonden voedsel voor levenden, of ten minste goed hout voortbrengen kan, en dat het dus zonde is, zulke begraafplaatsen, niet zoo veel mogelijk nuttig voor de gemeente te gebruiken.
Wenschende, dat mijne grafplaats goede vruchten, zoo lang mogelijk, oplevere, beveel ik, dat die plaats ten minste zeventig jaren met levende goede vruchtboomen bezet zij, en het bestuur der grafplaats zorge, dat de daar gestorven boomen, niet buiten de maanden November en December gerooid worden, opdat het hout zoo veel mogelijk tot allen arbeid dienstig zij: dewijl men anders zoude kunnen zeggen: het hout, op begraafplaatsen gegroeid, deugt niet.”

Dien overeenkomstig werd het lijk van genoemden Heer den 3den Februarij 1829 naar de koloniën overgebragt, alwaar het den 5den, des morgens te tien uren, aankwam, aan het begin der koloniën opgewacht wordende door den Wel. Ed. Gestr. heer Directeur der koloniën W. VIsser, den Wel Eeerw. heer J.P.P. Clinge, Predikant bij de Hervormde Gemeente te Vledder, waaronder dat gedeelte der vrije kolonien, waarop den overledene de begeerde rustplaats was bereid, gelegen is, eenige mindere ambtenaren van de Maatschappij en een 44tal kolonisten, tot dragers en gevolg. Het lijkt, in eene rouwkoets met eene volgkoets aangekomen zijnde, name de lijkplegtigheid,
onder het luiden der kolonieklok, een’ aanvang. Der helft der dragers schaarde zich naast de lijkkoets, terwijl de Commissie en de overige dragers, benevens schier de geheele bevolking van kolonie No. 1 en 2, dezelve in plegtige stilte volgden of verzelden. Aan de begraafplaats genaderd zijnde, werd het lijk, op eene lijkbaar overgeplaatst zijnde, grafwaarts gedragen en begraven, waarna de Wel Eerw. Heer Clinge de plegtigheid met eene allezins gepaste en treffende toespraak aan de omstanders besloot, die op de kolonisten een’ te levendigen indruk maakte, doordien zijn hier eene hunner weldoeners in het graf hadden zien nederlaten, wiens begeerte het was geweest, na zijnen dood, deze begraafplaats met hen te mogen deelen. “

A.F. Eilerts de Haan.



Laatste aanpassing: 25 januari 2025